Een Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) geeft werkgevers inzicht in de risico’s binnen hun organisatie. Maar soms is dat eerste beeld niet genoeg. Bijvoorbeeld bij blootstelling aan gevaarlijke stoffen, hoge werkdruk, repeterende fysieke belasting, geluid of een slecht binnenklimaat. In die gevallen is verdiepend onderzoek nodig: een nader onderzoek waarmee de aard, mate, duur en oorzaak van een specifiek risico betrouwbaar worden vastgesteld.
Arbowet Artikel 5 verplicht werkgevers om schriftelijk vast te leggen welke risico’s het werk met zich meebrengt, welke maatregelen worden genomen en binnen welke termijn die maatregelen worden uitgevoerd. Het verdiepend onderzoek is daar onderdeel van.
Een verdiepend onderzoek vanuit de RI&E is nodig als een risico wel is gesignaleerd, maar nog onvoldoende is onderbouwd.
Het onderzoek maakt duidelijk hoe groot het risico is, wie eraan wordt blootgesteld, hoe vaak dit gebeurt en hoe lang.
Dit speelt vooral bij gevaarlijke stoffen, fysieke belasting, geluid, binnenklimaat en psychosociale arbeidsbelasting.
Met verdiepend onderzoek beoordeel je of bestaande maatregelen voldoende zijn.
De uitkomsten helpen om passende maatregelen op te nemen in het Plan van Aanpak.
Als toetsing verplicht is, wordt ook het verdiepende onderdeel meegenomen door de arbokerndeskundige.
Wil je meer details weten? Die lees je in de rest van dit artikel.
Het probleem zit zelden in de RI&E zelf, maar in wat er daarna gebeurt. Het plan van aanpak wordt gemaakt, maar niet actief gebruikt. Terwijl juist dat onderdeel ervoor moet zorgen dat risico’s daadwerkelijk worden aangepakt. En dat is niet vrijblijvend. In artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) is vastgelegd dat een RI&E ook een plan van aanpak moet bevatten waarin de te nemen maatregelen en de risico’s worden beschreven. Werkgevers zijn dus verplicht om dit onderdeel serieus aan te pakken.
Een verdiepend onderzoek is nader onderzoek naar een specifiek arbeidsrisico dat in de RI&E wel is gesignaleerd, maar nog onvoldoende is onderbouwd.
Deze vervolgonderzoeken geven antwoord op vragen als:
Hoe hoog is de blootstelling?
Hoe lang en hoe vaak vindt blootstelling plaats?
Welke medewerkers of functiegroepen lopen risico?
Wat is de bron van het risico?
Zijn bestaande beheersmaatregelen aantoonbaar voldoende?
Welke maatregelen zijn nodig volgens de arbeidshygiënische strategie?
Dat verschil is belangrijk. Een RI&E kan bijvoorbeeld constateren dat medewerkers werken met lasrook, oplosmiddelen of desinfectiemiddelen. Maar daarmee weet je nog niet of de blootstelling onder de grenswaarde blijft, of afzuiging effectief is, of persoonlijke beschermingsmiddelen juist worden gebruikt. Daarvoor is verdiepend onderzoek nodig.
Het certificatieschema voor arbokerndeskundigen benoemt dit expliciet: bij toetsing van de RI&E moet worden beoordeeld of nader onderzoek of aanvullende metingen nodig zijn om blootstelling aan arbeidsbelastende factoren en de bijbehorende risico’s vast te stellen. Ook moet worden gekeken of blootstellingen representatief, gevalideerd en correct beoordeeld zijn.
Een verdiepende onderzoek is nodig wanneer de RI&E onvoldoende inzicht geeft in de ernst, de duur, de frequentie of de bron van een risico. Dat speelt vooral bij risico’s die niet direct zichtbaar zijn of waarvoor meetgegevens, vragenlijstonderzoek of specialistische beoordeling nodig zijn.
Bijvoorbeeld:
Psychosociale arbeidsbelasting, zoals werkdruk, agressie, pesten, discriminatie of seksuele intimidatie.
Gevaarlijke stoffen, zoals CMR-stoffen, lasrook, kwartsstof, dieselmotoremissie, oplosmiddelen of reinigingsmiddelen.
Fysieke belasting, zoals tillen, duwen, trekken, repeterend werk of langdurig staan.
Fysische factoren, zoals geluid, trillingen, warmte, koude, ventilatie, verlichting of binnenklimaat.
Machineveiligheid, explosieveiligheid of procesveiligheid.
Risico’s voor bijzondere groepen, zoals zwangeren, jongeren, uitzendkrachten of anderstalige medewerkers.
Wij classificeren risico’s aan de hand van de Kinney & Wiruth methode, waarbij risico’s met de volgende formule worden berekend: Risico = Effect x Blootstelling x Waarschijnlijkheid.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid noemt gevaarlijke stoffen, tillen, trillingen, beeldschermwerk, warmte, straling, werkstress en discriminatie als voorbeelden van risico’s die in de RI&E onderzocht moeten worden. Ook wordt benadrukt dat werknemers moeten worden betrokken bij het onderzoek, omdat zij vaak goed weten waar het werk in de praktijk knelt.
We lichten drie voorbeelden van een verdiepend onderzoek nader toe:
Gevaarlijke stoffen
Fysieke belasting
Fysische factoren: geluid, klimaat en binnenmilieu
Bij gevaarlijke stoffen is verdiepend onderzoek vaak wettelijk nodig. Artikel 4.2 van het Arbobesluit bevat nadere voorschriften voor de RI&E bij gevaarlijke stoffen. In de praktijk betekent dit dat de werkgever moet weten welke stoffen aanwezig zijn, wie eraan wordt blootgesteld, via welke route blootstelling plaatsvindt en of grenswaarden worden overschreden. Het certificatieschema noemt artikel 4.2 expliciet als RI&E-verplichting waarmee rekening moet worden gehouden bij toetsing en advisering.
Een verdiepend onderzoek gevaarlijke stoffen bestaat meestal uit vier stappen:
1. Stoffeninventarisatie
Welke stoffen, mengsels, procesemissies en Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn aanwezig?
2. Blootstellingsbeoordeling
Wie wordt blootgesteld, hoe vaak, hoe lang en via welke route? Inademing, huidcontact en inslikken moeten afzonderlijk worden bekeken.
3. Blootstellingsschatting of meting
Verschillende tools kunnen worden gebruikt voor blootstellingsschattingen. Deze kunnen blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkplek berekenen en vergelijken met grenswaarden.
4. Beheersmaatregelen
Eerst bronaanpak en substitutie, daarna technische maatregelen zoals gesloten systemen of afzuiging, vervolgens organisatorische maatregelen en pas daarna persoonlijke beschermingsmiddelen.
Bij ZZS-beleid ligt de lat nog hoger. Het RIVM beschrijft Zeer Zorgwekkende Stoffen als stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu, bijvoorbeeld omdat ze kankerverwekkend zijn, de voortplanting belemmeren of zich ophopen in de voedselketen. Voor werkgevers betekent dit: minimaliseren van blootstelling, actief zoeken naar vervanging en goed vastleggen waarom bepaalde stoffen nog worden gebruikt.
Fysieke belasting wordt in RI&E’s vaak te globaal beoordeeld. “Er wordt getild” of “er is repeterend werk” zegt weinig over het daadwerkelijke gezondheidsrisico. Een verdiepend onderzoek naar fysieke belasting brengt taken, houdingen, krachten, frequentie, duur en herstelmomenten in kaart.
De uitkomst moet leiden tot maatregelen volgens de arbeidshygiënische strategie. Deze kent vier opeenvolgende niveaus van maatregelen:
1. Bronmaatregelen
Risico’s worden weggenomen door de oorzaak direct aan te pakken. Voorbeeld: vervanging van een gevaarlijke stof door een veiliger alternatief.
2. Collectieve maatregelen
Zijn bronmaatregelen niet haalbaar, dan worden collectieve voorzieningen ingezet die meerdere medewerkers tegelijk beschermen. Voorbeeld: afscherming, ventilatie of afzuiging.
3. Individuele organisatorische maatregelen
Als collectieve oplossingen ontoereikend zijn, worden taken of werkmethoden aangepast om blootstelling te beperken. Voorbeeld: taakroulatie of beperkte inzetduur.
4. Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s)
Als laatste redmiddel worden medewerkers uitgerust met PBM’s. Deze moeten kosteloos en passend beschikbaar worden gesteld. Voorbeeld: gehoorbescherming, veiligheidsbril of handschoenen.
De arbeidshygiënische strategie volgt een duidelijke hiërarchie. Maatregelen op een lager niveau mogen alleen worden toegepast als hoger gelegen maatregelen aantoonbaar niet haalbaar zijn.
Het redelijkerwijs-principe houdt in dat voor elke maatregel een afweging gemaakt moet worden op basis van technische, organisatorische en economische haalbaarheid. Pas wanneer uit deze afweging blijkt dat een hoger niveau niet (volledig) uitvoerbaar is, mag worden uitgeweken naar een lager niveau. Deze afweging moet transparant en onderbouwd plaats vinden voor elk afzonderlijk risico en wordt bij voorkeur vastgelegd in het Plan van Aanpak.
Ook fysische factoren vragen regelmatig om verdieping. Geluid is daarvan een duidelijk voorbeeld. Het Arbobesluit kent specifieke bepalingen over beoordelen, meten en beperken van blootstelling aan geluid. Het certificatieschema noemt artikel 6.7 en artikel 6.8 Arbobesluit als relevante aanvullende RI&E-verplichtingen voor geluid.
Vanaf 80 decibel dagelijkse blootstelling aan lawaai moet geluid serieus worden onderzocht en beheerst worden. In de praktijk vraagt dit om geluidsmetingen, analyse van blootstellingsduur, beoordeling van piekgeluiden en een Plan van Aanpak met technische en organisatorische maatregelen.
Bij binnenmilieu en klimaat gaat het onder meer om temperatuur, luchtvochtigheid, ventilatie, tocht, CO₂, luchtverontreiniging en thermisch comfort. Dit speelt bijvoorbeeld in kantoren, scholen, productieomgevingen, magazijnen, laboratoria en voertuigen. Een verdiepend onderzoek binnenklimaat combineert metingen met gebruikerservaringen en gebouwtechnische informatie.
verdiepend onderzoek maakt deel uit van de volledige RI&E. Als toetsing verplicht is, moet ook het verdiepende onderdeel worden meegenomen in de toetsing. De werkgever moet de RI&E laten toetsen door een gecertificeerde arbokerndeskundige (AKD) of bedrijfsarts, tenzij een wettelijke uitzondering van toepassing is. Het certificatieschema benoemt de hogere veiligheidskundige, arbeidshygiënist en arbeids- en organisatiedeskundige als gecertificeerde arbokerndeskundigen.
Welke deskundige nodig is, hangt af van het risico:
Arbeidshygiënist: gevaarlijke stoffen, biologische agentia, geluid, klimaat, trillingen en fysieke belasting.
Arbeids- en organisatiedeskundige: psychosociale arbeidsbelasting, werkdruk, ongewenst gedrag, werktijden en organisatie van arbeid.
Hogere veiligheidskundige: machineveiligheid, arbeidsmiddelen, explosiegevaar, werkplekinrichting en veiligheidsrisico’s.
Bedrijfsarts: gezondheidskundige beoordeling, preventief medisch onderzoek en relatie tussen werk en gezondheid. De bedrijfsarts mag alles toetsen van de RI&E als hij of zij conform Art. 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg staat ingeschreven in een erkend specialistenregister.
Een aanvullend onderzoek is nodig als de uitvoerder van de RI&E heeft geconstateerd dat er een verdiepend onderzoek noodzakelijk is. Vooral bij psychosociale arbeidsbelasting, gevaarlijke stoffen, fysieke belasting, geluid en binnenmilieu is nader onderzoek vaak de stap die bepaalt of arbobeleid aantoonbaar werkt.
Een goed verdiepend onderzoek brengt risico’s niet alleen in kaart, maar vertaalt ze naar meetbare verbeteringen. Daarmee voldoen bedrijven beter aan Arbowet Artikel 5, versterken zij de kwaliteit van de toetsing door de arbokerndeskundige en wordt voorkomen dat belangrijke risico’s onderbelicht blijven.
Wil je zeker weten dat de RI&E van jullie organisatie op orde is? Onze ervaren adviseurs komen graag langs om jullie RI&E te screenen. Wij kunnen beoordelen of verdiepende onderzoeken nodig zijn, welke kerndeskundige past bij de risico’s en hoe je het Plan van Aanpak onderdeel maakt van je werkprocessen. Neem contact op met onze afdeling verkoop via 088 - 166 3006 of verkoop@werkveilig.nl
Zo maak je van je RI&E-plan van aanpak een werkbaar document.
De RI&E vormt de basis van het arbobeleid en zorgt ervoor dat er veilig wordt gewerkt.
Deze pagina legt uit bij welke stap van het risicobeheersingssysteem de Risico-Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) hoort en waarom deze cruciaal is voor veilig werken.
Heb je vragen of wil je weten wat wij voor jou of je organisatie kunnen betekenen? Neem gerust contact met ons op!
Onze collega's van de afdeling verkoop helpen je graag verder.